ONZE VISIE

TAAL IS EEN COMMUNICATIEMIDDEL

Onze voornaamste opdracht is om leerlingen te leren communiceren met andere sprekers van de doeltaal over onderwerpen die ertoe doen. Dat wil zeggen dat leerlingen moeten leren lezen, luisteren, spreken en schrijven in de vreemde taal, en dat zij leren bemiddelen tussen sprekers (bijvoorbeeld door hun uitingen aan te passen aan het begrip van de ander, of belangrijke informatie kunnen her- of vertalen).

Alle communicatie in het echte leven is doelgericht. We communiceren om informatie uit te wisselen of iets voor elkaar te krijgen, om elkaar te vermaken en om ons tot de ander te verhouden binnen een sociale context. Om dit voor elkaar te krijgen heb je taalkennis nodig (woordenschat, grammatica, spelling- en uitspraakregels). Deze kennis moet je kunnen mobiliseren en inzetten op het moment dat je die in communicatie nodig hebt. Waar dit proces hapert, kan de inzet van compenserende lees-, luister-, schrijf- en spreekstrategieën de voortgang van de communicatie bewaken.

Taalkennis en strategisch vermogen staan dus in dienst van het vaardig gebruik van de taal, zodat leerlingen hun communicatieve doelen kunnen bereiken.

handen
praten

TAAL LEER JE DOOR 'M TE GEBRUIKEN

Ons doel is dat leerlingen in het echte leven met andere sprekers van die taal kunnen communiceren. Dit betekent dat leerlingen de taal vanaf dag één zoveel mogelijk moeten gebruiken in en buiten de les, en dat dit gebruik betekenisvol is. Hiermee bedoelen we dat er een duidelijke reden is om te lezen, luisteren, spreken of schrijven in de doeltaal, en dat deze communicatie ook ergens over gaat, ofwel: dat hij inhoud heeft. Taakgericht, inhoudsgericht en tweetalig onderwijs voldoen aan deze voorwaarden en helpen leerlingen verbanden te leggen tussen de inhoud (wat wil men zeggen?), de taalvormen (hoe zegt men dat?) en de klanken of schrift van de vreemde taal (hoe schrijft men dat of spreekt men dat uit?).


Door veel te lezen, luisteren, spreken en schrijven met een gericht doel, worden leerlingen niet alleen vaardiger in het mobiliseren en inzetten van bestaande taalkennis, maar groeit deze taalkennis zelf ook aan. Blootstelling aan input is hierbij essentieel. Zo ziet de leerling immers hoe vaardige doeltaal gebruikers hun boodschappen formuleren. Om zelf een vaardige gebruiker te worden, is het echter van belang ook zelf veel output te leveren en te interacteren met anderen.

TAAL IS EMOTIE

Taal is een communicatiemiddel. Onze voornaamste opdracht is dan ook om leerlingen te leren communiceren met andere sprekers van de doeltaal over onderwerpen die ertoe doen. Dat wil zeggen dat leerlingen moeten leren lezen, luisteren, spreken en schrijven in de vreemde taal, en dat zij leren bemiddelen tussen sprekers (bijvoorbeeld door hun uitingen aan te passen aan het begrip van de ander, of belangrijke informatie kunnen her- of vertalen).

Alle communicatie in het echte leven is doelgericht. We communiceren om informatie uit te wisselen of iets voor elkaar te krijgen, om elkaar te vermaken en om ons tot de ander te verhouden binnen een sociale context. Om dit voor elkaar te krijgen heb je taalkennis nodig (woordenschat, grammatica, spelling- en uitspraakregels). Deze kennis moet je kunnen mobiliseren en inzetten op het moment dat je die in communicatie nodig hebt. Waar dit proces hapert, kan de inzet van compenserende lees-, luister-, schrijf- en spreekstrategieën de voortgang van de communicatie bewaken. Taalkennis en strategisch vermogen staan dus in dienst van het vaardig gebruik van de taal, zodat leerlingen hun communicatieve doelen kunnen bereiken.

emotie
vooriedereen

TAAL IS VAN EN VOOR IEDEREEN

Taal is van en voor iedereen. Alle talen en dialecten hebben gelijke waarde en vormen een even sterke basis van waaruit een nieuwe taal geleerd kan worden. Een nieuwe taal leren is voor alle leerlingen even belangrijk en even haalbaar, ongeacht de taal die zij thuis spreken, de taal die zij wensen te leren of hun opleidingsniveau.

TAAL OPENT DE WERELD

We gebruiken taal om met elkaar over allerhande zaken te communiceren. Waar wij over communiceren, doet ertoe. Hoe wij dat doen, doet er ook toe. Beiden zijn bovendien sterk cultureel bepaald. Taal maakt onderdeel uit van de identiteit. De cultuur en identiteit van sprekers beïnvloeden hun communicatie. Dit vraagt van leerlingen een bewustzijn te ontwikkelen van communicatie in een interculturele context. Zo moeten zij leren om de manier waarop zij boodschappen interpreteren en formuleren af te stemmen op de sociale en culturele context waarbinnen zij communiceren.

Taal geeft ook toegang tot andere culturen en culturele uitingen. Muziek, (korte) verhalen, poëzie, spoken word, toneel, komedie, televisie, film, trailers, reclamefilmpjes, cartoons en graphic novels bieden de inhoud die nodig is om taalvaardigheden te ontwikkelen en geven toegang tot andere culturen en culturele uitingen. fictie onderwijs helpt om leerlingen nieuwsgierig, ruimdenkend en empathisch naar de wereld – en hun eigen plek hierin – te leren kijken, zich te kunnen verplaatsen in het perspectief van een ander en om zich hierover op passende wijze uit te spreken. Zodoende draagt fictie onderwijs bij aan de burgerschapsvorming van onze leerlingen.

opentdewereld
meertalig

IEDEREEN IS MEERTALIG

Alle leerlingen in onze klas zijn meertalig. Soms al van huis uit, soms omdat zij bij ons ons een vreemde taal leren. Voor de vreemde taaldocent is meertaligheid dus zowel een gegeven als een doel. Alle woorden en zinnen die leerlingen in andere talen kan verstaan of gebruiken, vormen hun meertalige repertoire. Meertaligheid is geen obstakel, maar een potentiële kracht. Docenten kunnen 1) het meertalig repertoire van hun leerlingen inzetten bij het leren van een nieuwe taal en 2) een leeromgeving creëren waarin alle talen en dialecten van waarde zijn, voor henzelf en voor de leerlingen. 


De docent kan de kennis en vaardigheden die in de ene taal ontwikkeld zijn, inzetten bij het leren gebruiken van nieuwe taal. Dit vergroot het taalbewustzijn en taalgebruiksbewustzijn van de leerlingen. In een meertalige samenleving moeten leerlingen zich flexibel leren bewegen tussen meerdere talen (translanguaging), zodat zij kunnen bemiddelen tussen verschillende sprekers (mediation).


Het leerproces van leerlingen met verschillende taalachtergronden verschilt van elkaar. Zo speelt voorkennis een grote rol bij lezen en luisteren. Het kan zijn, dat de voorkennis over een bepaald onderwerp wel aanwezig is bij een leerling, maar dat deze is ontwikkeld in een andere (thuis)taal. Bij spreken en schrijven in de doeltaal hebben we te maken met transfer vanuit de thuistaal. Dit zal zich bij leerlingen met verschillende taalachtergronden op verschillende manieren manifesteren. Docenten die weten hoe zij de meertaligheid van hun leerlingen positief kunnen inzetten, dragen bij aan het creëren van een inclusieve leeromgeving, waarin alle leerlingen tot leren kunnen komen.